studiemogelijkheden en aanmelden

contact en open dag

verder lezen

de passie van docenten

een dag uit het leven van een student

filmportretten van oud studenten

portret van onze opleiding

welkom

Muziek maken met kinderen: iedereen kan het leren

‘Ons docentencollege bestaat voor een groot deel uit kunstenaars. Ook in vakken die ogenschijnlijk minder met kunst te maken hebben, zie ik kunstenaars in hun vakgebied. En kunstenaars hebben, dat is mijn ervaring, veel passie voor hun vak. Ze willen altijd meer, mooier en beter!’

 

Andere docenten aan het woord:

Leestip van Marcel:

Liedbundel voor kinderen van negen tot veertien jaar

door Madeleine Ingen Housz

Als ik de Vrijeschool Pabo binnenloop op zoek naar muziekdocent Marcel van Os, zegt de conciërge: ‘Als je hem wilt vinden, moet je goed luisteren, Marcel zingt altijd.’ ‘Zingt u echt altijd?’ is dan ook mijn eerste vraag. ‘Nou, ik maak wel vaak geluid,’ beaamt Marcel. ‘Ik zing, fluit, maak ritmes of ik trompetter. Dat zit er gewoon in.’

 

Marcels leven bestaat voor een groot deel uit muziek. Naast de muzieklessen die hij geeft, is hij in zijn vrije tijd ook actief als zanger. Hij zit in een semiprofessioneel koor dat veel 20e-eeuwse muziek brengt en waarmee hij regelmatig optreedt. Ook solo staat hij op de planken, hij doet mee met oratoria, zoals de Matthäus-Passion.

 

Zou je niet iets met muziek gaan doen?

De muziek is er niet altijd geweest in Marcels leven. Er werd thuis en ook op de lagere school niet veel gezongen, al hadden zijn ouders beide wel wat met muziek. Alleen in de katholieke kerk was er wekelijks de kerkmuziek. Op de middelbare school had Marcel aanvankelijk hele andere plannen, diergeneeskunde of verpleging. Pas later kwam de muziek als beroepskeuze. Op zijn twaalfde ging hij, net als al zijn broers en zussen, bij het kerkkoor. Marcel: ‘Daar op dat kerkkoor gebeurde het, dat was de club! Daar ben ik muzikaal en sociaal gevormd.’ Thuis kwam er een elektronisch orgel, waar hij zichzelf op leerde spelen. Enkele jaren later, hij was toen 16 jaar, werd hij organist bij datzelfde koor en later daarnaast ook nog eens dirigent. Op zijn 16e nam hij ook orgellessen, hij zat intussen in 5 vwo. Het was zijn orgeldocente, die hem vroeg: ‘Zou je niet iets met muziek willen gaan doen?’ Marcel was toen 17.

 

Mijn instrument is school

Marcel: ‘Haar vraag was de aanleiding dat ik me, in mijn examenjaar vwo, inschreef voor de vooropleiding van het conservatorium, richting kerkorgel. In de loop van dat jaar merkte ik dat kerkorgel eigenlijk niet zo mijn ding was. Altijd in mijn eentje achter zo’n orgel, dat zag ik niet zitten. Ik wilde met groepen werken, met kinderen werken op een middelbare school. Daarom koos ik, na mijn eindexamen vwo, op het Enschedese conservatorium voor de richting schoolmuziek. Mensen vragen mij altijd: ‘Welk instrument speel je dan?’ Ik antwoord dan: ‘Mijn instrument is school.’ Als bijvakken kreeg ik zang, piano en blokfluit. Wat ik vreemd genoeg weinig leerde, was met een groep kinderen zingen. Natuurlijk had ik al de nodige ervaring opgedaan als koordirigent, maar samen zingen met een groep kinderen, dat leerde ik pas later op de vrijeschool.

In het vijfde jaar van het conservatorium kwam ik in contact met de antroposofie en de vrijeschool, enerzijds via de natuurvoedingswinkel en anderzijds omdat een paar studenten in het jaar boven mij bezig waren met een scriptie over vrijeschoolonderwijs Op het conservatorium werd daar enigszins denigrerend over gedaan, het was de tijd van een heel vernieuwende beweging in het muziekonderwijs. Deze vaak wat afwijzende reactie maakte mij juist nieuwsgierig en ik besloot mijn scriptie over het muziekonderwijs op de vrijeschool te doen. Van het één kwam het ander en ik ging op bezoek op de vrijeschool in Zutphen. Ik liep mee met een ervaren onderbouwdocent die ook veel met muziek deed. Na afloop van mijn bezoek bracht de docent me naar het station. Net voordat hij wegreed, riep hij nog even uit zijn autoraampje: ‘Als je trouwens volgend jaar werk wil, dan kan je hier zo beginnen!’ Ik bedankte hem en ging weer naar huis, het was eigenlijk heel grappig. Na mijn afstuderen moest ik toch aan het werk, er moest immers geld binnenkomen, dus heb ik contact gezocht met de school in Zutphen en kon ik daar inderdaad gaan werken voor 6 uur per week. Daarnaast kreeg ik een deeltijdbaan op een jongensinternaat. Hoewel ik het andersom verwachtte, voelde ik me al na een paar maanden helemaal op mijn plek binnen de vrijeschool. De vrijeschoolpedagogie en de antroposofie vond ik inspirerend, ik kon me er vrij snel mee verbinden. Spoedig kreeg ik meer uren en na niet al te lange tijd kon ik, tot mijn opluchting, mijn baan op het internaat opzeggen. Ik heb 13 jaar op de Zutphense vrijeschool gewerkt als vakdocent muziek in de klassen 5 tot en met 12 en de laatste vier jaar ook nog als schoolleider. Het is overigens voor een muziekdocent een unieke situatie fulltime op één school te kunnen werken.’

 

Jij moet mijn werk overnemen

‘En toen kreeg ik plotseling een telefoontje van mijn voorgangster hier op de Vrijeschool Pabo. Ik kende haar van bijeenkomsten met andere vrijeschool-muziekdocenten. Ze zei: ‘Ik ga hier weg en ik vind dat jij mijn werk moet overnemen.’ Ik voelde me in die tijd enorm verbonden met de Zutphense school en met de kinderen en had bij lange na niet het gevoel dat ik daar uitgewerkt was. Een paar maanden later belde ze opnieuw. En ook van een oud-leerling uit Zutphen die toen op de VPA zat – zo heette de Vrijeschool Pabo toen nog – kreeg ik een telefoontje waarin ze me ‘aanspoorde’ om op de VPA te komen werken. Het was heel lastig voor me om deze keuze te maken. Ik ben gaan praten, een dagje gaan kijken en heb eindeloos getwijfeld. Uiteindelijk besloot ik toch maar te solliciteren en toen was het snel geregeld. Ondanks het afscheid van Zutphen heb ik nooit spijt gehad. In korte tijd voelde ik me hier als een vis in het water. En zo voelt het nog steeds; ik werk hier nu alweer 18 jaar, waarvan de laatste 8 jaar ook als opleidingscoördinator. Niet weg te krijgen, ha, ha! Net als vele van mijn collega’s overigens, we worden hier samen oud…’

 

Zet je didactische bril op

‘Wat mijn stijl van lesgeven is? Ik probeer volledig vanuit de situatie te werken, vanuit wat er op een bepaald moment aan vragen in de klas is. Tegelijkertijd weet ik wel wat de doelen zijn van mijn lessen, waaraan gewerkt wordt. De inbreng van de studenten geeft richting aan mijn lessen, veel van mijn lessen zijn werkcolleges. In het moment zien welke kant het opgaat, daar ben ik steeds beter in geworden. Ik doe mijn best mijn lessen goed op elkaar aan te laten sluiten, gaandeweg ontstaan de lijnen. De voorbereiding die ik doe, zit hem dan ook vooral in de nabereiding. ‘Wat hebben we gedaan, hoe ging dat, wat kon beter, wat ging goed?’ Dit zijn de vragen die ik mij stel en waarmee ik mij voorbereid voor een volgende les. Ik geef ook hoorcolleges, maar in het algemeen vind ik dat lastiger dan de lessen die ontstaan in het samenspel met studenten. Ik denk wel dat ik naar studenten heel duidelijk ben in welke kant we opgaan, wat ik wil en wat van de student gevraagd wordt.

Er zijn ook lessen koor en stemvorming. Dan ben ik meer de dirigent en dus sterker sturend aanwezig. Maar wat blijft, is dat een muziekles moet ontstaan als een spel. Zo moet het met kinderen, dus zo moet het – als het kan – ook gaan met studenten.

De studenten van de Vrijeschool Pabo hebben over het algemeen een zeer gedifferentieerde muzikale achtergrond. Er zijn studenten die conservatoriumniveau hebben, maar ook studenten die rondlopen met muzikale blokkades of zelfs trauma’s. Ik streef ernaar mijn lessen zo in te richten dat iedereen, zonder zich te vervelen of boven zijn macht te moeten werken, zich aangesproken en uitgedaagd voelt. Ik voel dat als een spelen met elkaar. Ik wil dat iedereen het gevoel heeft: ‘Hier kan ik wat mee’. Als iemand toch het idee heeft: ‘Dit ken ik al’, dan zeg ik: ‘Zet je didactische bril maar op en kijk er op die manier naar.’ Zo valt er altijd iets te leren. De kern van het samen muziekmaken is gemeenschapsvorming. In het muziekonderwijs oefen je het sociale. Dat gebeurt ook in mijn lessen.’

 

Iedereen kan leren zingen met kinderen

‘Mijn belangrijkste doel als muziekdocent op de Vrijeschool Pabo is dat iedereen na het afronden van de opleiding kan zingen met kinderen. Zingen is ongelooflijk belangrijk binnen het onderwijs met jonge kinderen. Iedereen kan leren zingen met kinderen; ook studenten die van zichzelf vinden dat ze zelf niet muzikaal zijn of moeilijk tot zingen komen, kunnen een klas aan het zingen krijgen. Tussen ‘zingen met kinderen’ en het vormgeven van gedegen muziekonderwijs op de school zitten vele stappen. Mijn streven is dat iedere student het onderste uit zijn of haar eigen muzikale kan leert halen en dus handvatten krijgt om op het eigen niveau de muzikale stroom in de klas te verzorgen.’

 

Passie en saamhorigheid

‘Ik ben iemand die graag in een gemeenschap wil werken. Ik ben enorm blij met de wijze waarop wij hier als collega’s samenwerken. Ons docentencollege bestaat voor een groot deel uit kunstenaars. Ook in vakken die ogenschijnlijk minder met kunst te maken hebben, zie ik kunstenaars in hun vakgebied. En kunstenaars hebben, dat is mijn ervaring, veel passie voor hun vak. Ze willen altijd meer, mooier en beter! Binnen het college zijn we in onze lessen constant op zoek naar een evenwicht tussen het wetenschappelijke, het kunstzinnige en het ambachtelijke. Wij drijven hier op het gevoel: ‘We gaan er samen voor.’ Onze gemeenschappelijke drijfveer is de vrijeschoolpedagogiek, die gestoeld is op het antroposofische mensbeeld. Die manier van kijken wordt hier tot in de omgang met elkaar beleefd.’

 

Zoeken naar wie je bent

‘Ons personeelsbeleid en ook onze studentbegeleiding is er op gericht om de individuele mens tot zijn recht te laten komen, dat is een praktisch vorm van antroposofie. Studenten worden gestimuleerd op zoek te gaan naar wie ze zijn en worden door ons in die zoektocht begeleid.

Onze verhuizing naar de Hogeschool Leiden is natuurlijk spannend. Maar het is ook uitdagend dat we daar met een aantal antroposofische opleidingen, kunstzinnige therapie, euritmie en muziek, dicht bij elkaar zitten binnen een grotere hogeschool. Ik kijk uit naar het contact met collega’s van de andere pabo. Onze inzet is dat we, met het bewaren van onze identiteit en ons gemeenschapsgevoel, deel kunnen gaan uitmaken van een groter geheel. Het grote voordeel is dat we in Leiden meer zichtbaar kunnen worden naar anderen. En dat is wat we willen: nog meer zichtbaar worden in de wereld. Ik heb dan ook veel vertrouwen in deze stap naar Leiden.’

‘Een muziekles moet ontstaan als een spel. Zo moet het met kinderen, dus zo moet het – als het kan – ook gaan met studenten.’

Foto © Hapé Smeele