studiemogelijkheden en aanmelden

contact en open dag

verder lezen

de passie van docenten

een dag uit het leven van een student

filmportretten van oud studenten

portret van onze opleiding

welkom

En straks de praktijk in...

Lees tip:

En dan ben je afgestudeerd en kun je gaan werken op een reguliere basisschool, of op één van de ruim honderd vrijescholen in Nederland en België. Maar hoe ziet dat er in de praktijk uit? Een blik in het dagelijks leven op een vrijebasisschool.

Aan het begin van de dag

De leraar staat in de deuropening en geeft ieder kind een hand. Hij ontmoet een onvervangbaar individu. Het is een warm welkom. De leerling kijkt hem aan en voelt dat hij er mag zijn. De klasgenootjes zijn er al. Enkelen komen enthousiast op hem af. Als de kinderen op hun plaats zitten, zeggen zij samen met de leraar een ochtendspreuk. De les kan beginnen.

Mijn klas en ik

Een leraar of lerarenduo blijft bij voorkeur de gehele lagere schooltijd bij dezelfde groep kinderen. Dit heeft als voordeel dat kinderen en leraar elkaar goed leren kennen en door de jaren heen veel voor elkaar kunnen betekenen. Er ontstaat een stabiele opvoedingssituatie. De kinderen leren ook andere docenten kennen doordat er voor een aantal vaklessen vakdocenten zijn en doordat klassenleraren vaklessen geven in elkaars klassen. Op veel vrijescholen wordt de lerarenbezetting per klas jaarlijks opnieuw bekeken. Kinderen zitten met leeftijdgenoten in één klas. Het jaarthema en de lessen sluiten aan bij de leeftijd. De leerlingen hebben dus in hun lagere schooltijd een zelfde groep kinderen om zich heen. Ze horen bij elkaar. Doubleren komt daarom in de vrijeschool nauwelijks voor.

De lespraktijk van dag tot dag

Elke dag verloopt volgens een vast ritme. De eerste uren van de dag krijgen de kinderen les in een hoofdvak van hun eigen meester of juf. De rest van de dag zijn er vaklessen. Als hoofdvakken worden rekenen, taal, heemkunde, dier- en plantkunde, aardrijkskunde, geschiedenis en natuurkunde gegeven. Het onderwijs in de hoofdvakken wordt ook wel periodeonderwijs genoemd, omdat deze vakken telkens gedurende een periode van 3 tot 4 weken dagelijks gegeven worden. Vreemde talen als Engels en Duits; kunstzinnige vakken als muziek, schilderen, vormtekenen, toneel komen iedere week als vakles terug. Hetzelfde geldt voor bewegingsvakken als gymnastiek, euritmie, tuinbouw, handenarbeid en handwerken.

Het leerplan

Leren is in de vrijeschool leren met hoofd, hart en handen. Met de handen wordt het lichamelijk-motorische bedoeld. Met het hart wordt het hele gevoelsleven bedoeld. Betrokkenheid, inlevingsvermogen, het sociale IQ, zelfvertrouwen, zelfwaardering en gevoel voor schoonheid zijn enkele aspecten hiervan. Het hoofd tenslotte geeft het vermogen tot denken en begrijpen; tot concluderen en abstraheren.

De les heeft handen en voeten

In alle lessen, dus ook bij het taal- en rekenonderwijs, is er beweging. Het is niet alleen belangrijk dat een kind de lessen begrijpt, maar ook dat het er volop actief mee bezig is. Daarom wordt er veel met handen en voeten gewerkt. Klappen, lopen, rennen, springen en dansen horen in de les thuis. Er wordt lopend gerekend en om de taallessen eigen te maken wordt er gedanst en geklapt. Voor de leerkracht zijn de oefeningen vaak even lastig als voor de kinderen. Maar samen ontdekken hoe het moet, geeft veel plezier. Vakken als tuinbouw, houtbewerken en techniek zijn vanaf klas 4 praktische lessen, waar met de handen wordt gewerkt. Bewegen bevordert de gezondheid en het concentratievermogen. Bovendien komen door beweging van het hele lichaam de fijne verbindingen in de hersenen, de synapsen tot stand. Met het negende, tiende jaar zijn de hersenen voorlopig volgroeid. Recente publicaties uit de neurowetenschap tonen aan dat het brein niet alleen te maken heeft met de intelligentie, maar ook met het gedrag. De hersenfunctie is afhankelijk van de lichaamsmotoriek. Daarom zijn motorische oefeningen een belangrijk onderdeel van de les.

Daar loop ik warm voor

Voor groei is warmte nodig. Een baby groeit goed als hij met liefde wordt omringd. Voor het onderwijs geldt dit evenzeer. Als een kind vol overgave, enthousiasme, betrokkenheid en eerbied de lessen in zich op kan nemen, dan wordt het letterlijk warm. Het kind is volop betrokken als het leert hoe het zélf iets kan verzinnen en maken. Brood bakken, tekenen, een verhaal schrijven, toneelspelen, de klas opmeten, een krant maken, fluitspelen, sommen verzinnen, enz. Vooral als je dit samen met anderen doet, wordt de beleving van de eigen creativiteit dubbel zo sterk. Als er enthousiasme is, dan is er warmte. Het is de taak van de leraar de kinderen volop de gelegenheid te geven tot eigen vormgeving en ze zo uit te dagen dat ze het beste uit zichzelf halen? Hoe meer de leraar zijn eigen fantasie en creativiteit ontwikkelt, hoe meer de kinderen gestimuleerd worden.

Slim

Begrijpen en onthouden, concluderen en abstraheren zijn schitterende vermogens. Het denken geeft overzicht en inzicht. Het is als de bloem op de plant, het is het vermogen dat ons volledig mens maakt. De vrijeschool wil kinderen niet alleen kennis bijbrengen, maar hun ook leren inzien hóe ze tot een eigen gedachte, een eigen oordeel kunnen komen. De weg naar het trekken van conclusies is belangrijker dan de conclusie zelf. Kinderen leren bijvoorbeeld wat een standpunt is en een mening. Ze leren ook de feiten nauwgezet en objectief te beschrijven. Nadenken en zelfstandig oordelen is meer dan kennis kunnen reproduceren. De maatschappij verandert snel. Wat vandaag nieuw is, is morgen verouderd. Mensen die creatief hebben leren denken, zijn op deze ontwikkelingen voorbereid. Er wordt van leraren verwacht dat zij de Nederlandse taal goed beheersen en de rekenvaardigheden onder de knie hebben. Lerarenopleidingen hebben daar een toets voor.

Elk jaar zijn eigen verhalenschat

In de vrijeschool vertelt de leraar veel verhalen. Ieder leerjaar heeft zijn eigen thema. De verhalen zijn zo uitgezocht dat ze precies passen bij de leeftijd van de kinderen. Ze gaan over goed en kwaad, over keuzes maken, over moeilijke opdrachten geven richting zonder gemoraliseer. De verhalen kunnen uitgangspunt zijn voor de lessen. Het thema, bijvoorbeeld ‘de Grieken’ in klas 5, komt het hele jaar door terug. Ieder leerjaar krijgt op deze manier een eigen karakter.

Kleuters

We houden vast aan de term ’kleuters’ om aan te geven dat kinderen van 4 tot 6 jaar een eigen aanpak nodig hebben. De juffen en meesters die met kleuters werken, worden hier speciaal voor opgeleid. Kleuters krijgen geen ‘denkwerk’ zoals het leren van cijfers en letters, maar ‘doewerk’. Hun voornaamste bezigheid is spelen. Extra belangrijk, omdat dit later in het leven zo moeilijk in te halen is. Door het spelen groeit hun lichaam en worden fantasie en creativiteit aangesproken. De kinderen leren door het spel op allerlei manieren hun lichaamsfuncties te gebruiken: kijken, luisteren, tasten, proeven. Ook de motoriek komt in het bouwen, fantasiespel en knutselen ruimschoots aan bod. De juf biedt in het geleide spel versjes, rijmpjes, vingerspelletjes, loop- en kringspelletjes aan, waardoor de grove en fijne motoriek zich verder ontwikkelt. In de kleuterklassen zijn hout en andere natuurlijke materialen, zoals wol, leer, zijde, katoen en steen te vinden. Het verschil in kwaliteit geeft een verfijnd aanvoelingsvermogen. Kleine kinderen nemen alle indrukken uit hun omgeving in zich op. De kleuterlokalen zijn daarom smaakvol en knus ingericht. De kleuter leert van nadoen. De juf is het grote voorbeeld. Aan het einde van de kleutertijd is er een uitgebreid onderzoek naar de leerrijpheid van het kind. Hierin wordt gekeken of het kind er aan toe is de stap te maken naar het bewuste leren. In dit onderzoek wordt niet alleen gekeken naar de intelligentie, maar ook naar de motorische en sociale groei. Het kan zijn dat ouders het advies krijgen om hun kind langer de tijd te geven om te kleuteren. Wetenschappelijk onderzoek onderschrijft de visie van de vrijeschool. Daaruit blijkt namelijk dat het leerproces verderop in de schoolloopbaan beter verloopt als kinderen volop de gelegenheid hebben gehad om te spelen, en dat te vroeg aanvangen met het bewuste leren de ontwikkeling remt.

Ieder vogeltje zingt anders

In deze tijd wordt steeds duidelijker hoe verschillend kinderen zijn. De één is een doener, de ander een denker. De één gaat snel, de ander heeft meer tijd nodig. De open opdrachten ondervangen de verschillen grotendeels. Daarnaast worden er binnen de les variaties aan opdrachten gegeven die aansluiten bij de verschillende niveaus van de kinderen. Omdat leren niet alleen het cognitieve inhoudt, maar ook het kunstzinnige en het handvaardige, is er veel differentiatie mogelijk. Kinderen hebben recht op een individueel passend leertraject. Daarnaast is het ook nodig dat zij leren samenwerken en samen spelen. Behalve het individuele leren tref je daarom in een vrijeschoolklas ook het groepsleren aan. De kinderen zingen, musiceren, dansen en sporten samen. Zij werken ook met elkaar aan opdrachten of projecten. De kinderen vieren de seizoensfeesten, zoals Kerstmis, Pasen, het hoogzomerfeest en het herfstfeest met de hele schoolgemeenschap. Er zijn gezamenlijke weekopeningen en lesdemonstraties. Kleintjes en groten leren elkaar waarderen en respecteren. Zo is er evenwicht tussen het individuele en het gemeenschappelijke. Dit is ook van toepassing op het werk van de leraar. Hij begeleidt zijn eigen groep en organiseert daarnaast ook activiteiten voor de hele school.

Het jaar rond

De natuur speelt een grote rol in het schoolleven. Planten, dieren, stenen zijn in de school te vinden. Ook de omgeving met al haar natuurschoon wordt verkend. In de klas staat een tafel met producten van het seizoen. Samen met de kinderen van de hele school worden de seizoensfeesten gevierd. Het jaar is geen abstracte tijdseenheid, maar een ritmisch levend geheel, waar we deel van uitmaken. Zo gaan de kinderen zich vertrouwd voelen in de omgeving en wordt de tijd ‘een feestelijk kralensnoer’. De vrijeschool heeft veel van zulke feestmomenten. De vrijeschool leraar geeft dus niet alleen les; hij geniet ook samen met de gehele schoolgemeenschap van de jaarlijks terugkerende feestelijkheden.

School en thuis

Het contact met de ouders is in de vrijeschool intensief te noemen. Een kind voelt zich veilig in de klas als zijn meester of juf goed met zijn ouders overweg kan. Wederzijds respect geeft het kind een gevoel van vertrouwen in de wereld. Het is voor de opvoeding waardevol als de ouders zich bij de school betrokken voelen en als de leerkracht de thuissituatie van het kind kent. Veel leraren bezoeken daarom de kinderen thuis. Elke klas heeft klassenouders die contactpersoon zijn tussen leraar en oudergroep. Ook verzorgen leraren regelmatig ouderavonden en werken met ouders samen bij uitstapjes, feesten en lesactiviteiten zoals lezen, tuinbouw en handwerken.

Extra hulp

Soms hebben kinderen een extra steuntje nodig in hun ontwikkelingsproces. Dat kan op het motorische, emotionele of cognitieve gebied zijn. De leraar vraagt dan hulp bij het zorgteam in de school. Hierin werken verschillende disciplines samen, zoals intern begeleider, kunstzinnige therapeut, remedial teacher en schoolarts. Dit team observeert samen met de klassenleerkracht het kind en overlegt welke extra hulp nodig is. In samenspraak met de ouders kan een individueel traject uitgezet worden. Kan de school niet voldoende hulp bieden, dan wordt er een beroep gedaan op begeleiding van buiten.

Toetsing en rapportage

Vrijescholen maken o.a. gebruik van landelijk genormeerde toetsen, zoals toetsen uit het Cito leerlingvolgsysteem, om de leervorderingen van de kinderen gedurende het schooljaar te testen. De ouders krijgen daar een overzicht van en kunnen er in zgn. ‘10-minutengesprekken’ met de leraren over van gedachten wisselen. De ontwikkeling van de kinderen wordt vastgelegd in een leerlingvolgsysteem. In de vrijeschool omvat dit naast gegevens over de cognitieve, ook die over de emotioneel-sociale en motorische ontwikkeling. De kerndoelen die de overheid heeft geformuleerd voor het basisonderwijs, gelden ook voor de vrijescholen. Aan het einde van het schooljaar krijgt iedere leerling een ‘getuigschrift’. Voor de ouders schetst de leraar in een algemeen beeld hoe het kind zich het afgelopen jaar heeft laten zien. Ook de vakken worden kort beschreven. De leerlingen krijgen ‘een persoonlijk geschenk’ in de vorm van een stuk proza of poëzie, vaak vergezeld van een tekening of schildering. Dit beeld dat de leraar geeft, is bedoeld als een ondersteuning in de ontwikkeling van de leerling.

 

Tekst: Jet Nijhuis

Fotografie: Hapé Smeele